- steen
- {{steen}}{{/term}}I 〈het, de〉1 [harde delfstof] stone♦voorbeelden:1 ik ben niet van steen • I am not made of stone¶ steen en been klagen • complain bitterlyII 〈de〉1 [stuk steen] stone, Arock ⇒ 〈groot〉 Brock, 〈klein〉 pebble2 [als bouwmateriaal] stone ⇒ 〈baksteen〉 brick, 〈plavuisvormig〉 slab, 〈kinderhoofdje〉 cobble(-stone)3 [edelsteen] gemstone ⇒ 〈voornamelijk bewerkt〉 gem, 〈in horloge〉 jewel4 [sport] man ⇒ 〈bij damspel, schaakspel ook〉 piece, 〈bij dominospel〉 domino♦voorbeelden:1 〈figuurlijk〉 een steen des aanstoots • a stumbling blockde eerste steen (naar iemand) werpen • throw/cast the first stone (at someone)als een steen op de maag liggen • be indigestible2 〈figuurlijk〉 de onderste steen moet boven komen • we must get to the bottom of thisstenen bakken • fire bricks 〈in oven〉; bake bricks 〈in de zon〉ergens een steentje toe bijdragen • do one's bit towards something; chip in with 〈bedrag〉/towards 〈doel〉de eerste steen leggen • lay the first stonegeen steen op de ander laten • not leave a stone standing3 bewerkte stenen • cut gemstoneseen ring met een steen • a ring set with a stone4 een steen slaan • capture a piece; jump a piece 〈bij damspel〉
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.